Het bordeaux rode puntmutsje had als uiteinde een kwast van gouddraad en franje. Het hing schuin over een veel te kleine hoedenkop. Meneer Bruintjes deed het altijd op zijn hoofd wanneer hij naar buiten ging, anders voelde het zo kaal aan op zijn bolletje. Dit deed hij al van jongs af aan, ook toen er nog een flinke bos met haar op zijn hoofd zat. Zijn zus Ydrin plaagde hem er altijd mee, maar tegenwoordig spreken ze elkaar niet meer. Het enige wat hem in contact zou kunnen brengen was een kijkkristal. Ernst keek op een klokje tussen de glazenflesjes en potjes met ingrediënten. Op het eerste gezicht leek het een ouderwets kitscherig dingetje met cijfers uit een andere wereld. Echter was dit klokje niet om de normale tijd aan te duiden, dit klokje gaf precies aan wanneer het tijd was dat de pachtheer voor de deur stond. Elke keer kwam deze man precies op dezelfde tijd, en wist Bruintjes hem te ontvluchten. Hij had niet veel tijd meer, dus vlug liep hij naar zijn patchwork jas en trok het aan, zette zijn hoedje op en liep naar de deur. Zijn gezicht verbleekte toen hij de deur opende en de pachtheer zag staan die net op de deur wilde kloppen. Het duurde even voordat beide heren deze onverwachte situatie een plaats in hun hoofd konden geven. Ze hadden niet verwacht elkaar te treffen. De pachtheer keek meneer bruintjes koeltjes aan. “ vier maanden, Bruintjes… vier”…..
