De heer Elzevier liep door de bossen van Acorn Forest. Hij was nog maar net terug van de hangende tuinen of kreeg al de taak om fenikswortel te gaan zoeken. Met een grote schep en zijn reiskoffer liep hij het bos in. Hij speurde overal en ieder blaadje werd wel drie keer omgekeerd. Fenikswortel groeide in een broeierige moerasachtige omgeving en vaak onder dorre takken en dode bomen.

Wat Johan niet wist was dat hij ook bekeken werd. Hoog boven in de bomen keek iets zeer groots hem met 4 paar ogen aan. Het wezen deed niets anders dan observeren hoe het kleine mensje gaten in de grond aan het graven was. De grote spin kon geruisloos door het web tussen de bomen stappen. Johan had inmiddels plaats genomen op een oude gevallen boom en at net een zelfgemaakt pistoletje met beenhamsalade. Net nadat hij klaar was keek hij op. Zijn ogen werden groter en angstig. Zijn onderlip begon licht te trillen. Niet ver van hem vandaan zag hij hoe een groot gevaarte van wel drie meter hoog, met één een zeer dunne draad naar beneden zakte. Hij hoorde het klikken van de gif kaken, die een soort speeksel produceerde terwijl het steeds dichterbij kwam…

Een gigantisch spinachtig wezen stond pal voor de neus van Johan Hendrik Elzevier. Met een aantal ogen staarde hij de man indringend aan. Johan slikte. Langzaam maar zeker zakte hem de moed in zijn schoenen. Het beest zag er gevaarlijk uit met zijn grote lange poten waarop een soort zuignappen te zien waren, haast alsof het tentakels waren.

Het wezen sprak een onverstaanbare kwaadaardige taal uit een plaats hier ver vandaan. Wat het hier deed? Niemand wist het. Wel wist Johan dat hij niet langer wilde blijven in Acorn Forest.

Achter Johan begon zich inmiddels een soort energierimpeling plaats te vinden. Heel even was er een soort portaal waarneembaar, waar een hand uit naar buiten kwam. De hand pakte Johan vast en sleurde hem weg uit het bos waar hij stond.

Johan plofte samen met Benfolo op de bank in het huis van Iara. “Nou je was maar net op tijd, Benfolo”, zuchtte Johan opgelucht. “Hoe zag het wezen eruit? Had het daadwerkelijk tentakels?”, vroeg Iara Maris vol spanning. Johan knikte en vertelde over de grote poten met zuignappen. Iara kon niet wachten om samen het wezen te gaan onderzoeken.