Tahendildag

Een Midwintersprookje uit de magische werelden van Magical Triangle. Het verhaal dat eeuwen wordt verteld en gevierd. Waargebeurd of niet? Een ieder mag het geloven, maar vieren doen ze het allemaal,  op hun eigen manier.

 Dillynn en de Harehoender

Wanneer de dagen korter worden en de nachten kouder. Wanneer de lichtjes in de bomen flakkeren in de wind, dan is dat de tijd waarop  iedereen elke avond gezellig bij elkaar komt, onder het genot van lekkernijen en een warm haardvuur.  Om de donkere dagen kleur te geven werden de huizen en straten versierd. De mooiste dennenbomen werden naar binnen gehaald en als decoratie neergezet met slingers en ballen. Ieder jaar rond deze tijd nam een vader zijn dochter Dillynn, het jongste meisje in het dorp, mee naar een open plek in het bos  en zette daar een diep bord warme melk neer voor de dieren die daar leefden. Het huis waar ze woonde was oud en stond als enige tegen de rand van het donkere woud. Haar ouders hadden altijd iets met dieren gehad,  het huis stond vol kooien en terraria vol beesten. Ze verzorgde de zieke en arme beestjes in de winterse maanden en liet ze daarna, wanneer het warme seizoen er aan kwam, weer vrij. Dillynn was inmiddels negen jaar en kon zelf de melk brengen naar de plek in het bos. Elke avond, voordat de familie ging slapen, om een uur of negen, warmde ze een kleine ketel boven het haardvuur. Zodra de melk begon te borrelen, nam ze de ketel van het vuur en schonk het in een diep bord. Ze bracht de melk naar buiten en zette het op de plaats waar ze het altijd met haar vader neer zette. Iedere ochtend weer was de melk helemaal opgedronken. Ze vond het fijn te zien dat haar daad goed werd ontvangen, maar toch werd zo ook wel nieuwsgierig.  Welke dieren hadden er baat bij het bord met melk? Was het een enkel dier of was het een heel gezin? Ze begon zich dit elke dag weer af te vragen, tot ze besloot iets te doen. Iedere avond dat ze het bord met warme melk buiten zetten schoof ze het een klein stukje in de richting van haar huis. Zodat ze misschien, op een gegeven moment, de dieren kon zien.

Maar op een avond was het zo kil dat er ijspegels ontstonden aan de randen van de daken. En dat de warmte van de kaarsen in de lantaarns het verloor van de kou, zodat ze langzaam aan doofden. Op die avond was Dillynn zo dicht bij haar huis aangekomen met het verzetten van de melk dat ze het bord enkele stappen voor de deur van haar huis kon zetten.  De wind was guur en sneed langs haar gezicht, een krakend geluid kwam vanachter de heg vandaan.  Ze zette het bord met warme melk neer en liep  naar de heg, maar er was niets te zien. Ze draaide zich om, en hoorde het zacht kraken van sneeuw achter zich.  Voorzichtig draaide Dillynn zich om, ze zag een grote gestalte achter de bomen verdwijnen, het bos in.  Ze riep nog, of ze kon helpen, maar het was al verdwenen.
Binnen vertelde ze aan haar ouders dat ze samen het bos in wilde om te zoeken wat het geweest kon zijn.  Maar haar ouders weigerden, het was te koud en te donker om nu veilig het bos in te gaan.  Ook was het te laat en iedereen moest maar eens naar bed. Aan het gesnurk te horen lag iedereen al flink te slapen, behalve Dillynn, zij lag nog wakker in haar bedstee.  Luisterend naar de wind die langs de muren suisde, wachtend op een geluid dat anders was dan alle andere geluiden die ze ‘s avonds kon horen. Maar ze hoorde geen andere geluid, maar met elke tik van de koekoeksklok viel ze steeds iets dieper in slaap.

Diep in de bossen, waar dieren in hun rijk heersten en waar de mens normaal niet kwam; daar waar de wereld van magie een overgang maakte naar de werkelijkheid gebeurden in de koude dagen vreemde dingen. Soms, heel soms, had een wezen de moed om de overstap te maken en de grens te passeren.  Een wezen dat wel iets warms kon gebruiken, dat dorst had. Een grote gestalte liep  een aantal jaar geleden door de bossen van Myr. Verward en onderkoeld.  Met grote poten liep het beest richting een klein dorpje. Het had een groot harig lijf, van een bok met grote hoorns, maar de poten leken op een kip.  Er was geen veer te bekennen, maar het lijf was bedenkt met haar. Het had de kenmerken van een faun, een wezen met bokkenpoten,  maar dit wezen had handen als twee hoeven en een nagel. Het moet een Harehoender geweest zijn. Het beest snuffelde aan de melk en voelde warmte.  Het begon te sluipen als een vos. Nabij een open plek stond een meisje met vlechten, in een witte jurk en om haar heen een warme wollen deken. Ze was daar met haar vader.  Ze had een lantaarn bij zich en hij hield  een bord vast.   Het wezen was bang dat het meisje het zou zien, en verschool zich achter een grote dennenboom. Ze zeiden wat in een taal die het wezen niet verstond, hurkten en liepen weg, maar de warmte bleef. Toen het geluid van de voetstappen in de sneeuw verdween, kwam het wezen tevoorschijn en zag op de grond een bord waar de warmte vandaan kwam. Het wezen hurkte en rook aan het vloeibare witte goedje. Het rook heerlijk en leek drinkbaar. Al snel stak het een lange geitentong in de warme melk  en dronk het op.  Met een volle buik zocht het een plek om te overnachten. En elk jaar kwam het wezen terug, voor de warme melk. Ieder jaar rond deze tijd kwam het meisje en haar vader. De jaren verstreken, het wezen dat ooit een bruine vacht had, kreeg langzaam aan wat witte haartjes.  Het meisje was inmiddels oud genoeg om alleen het bos in te gaan.

Dillynn stond als eerste op, rende naar beneden, sloeg een kleed om haar heen en ging op haar blote voeten naar buiten.  Ze liep naar het bord, en keek verbaasd hoe de afkoelde melk in het bord lag.
Dit was de eerste keer dat de melk niet aangeraakt was. Ze schrok er een beetje van, maar bedacht zich dat ze vannacht iets had gehoord.  Ze kleedde zich snel om, trok haar laarsjes aan en ging op pad. Langs de heg naar de rand van het bos. Overal lag verse sneeuw.  Er was niets bijzonders te zien, totdat ze in de richting keek waar gister het geluid vandaan kwam.  Het was moeilijk te zien, maar toch had de sneeuw een andere indruk dan menselijke voetstappen. Ze wilde het van dichterbij bekijken, maar werd naar binnen geroepen. Ze moest ontbijten en naar school…

In de avond werd de Harehoender wakker in een oude hooischuur,  van ‘s ochtends vroeg tot in de avond sliep het.  En inmiddels was het alweer donker geworden en in de verte kwam de overheerlijke geur van melk weer aandrijven.  Stilletjes liep het naar de rand van het bos richting het huisje en zag vanachter de heg, een familie gezellig samen zingen en eten.  Buiten bij de deur stond een bord met warme melk.  Kon de melk onopvallend gepakt worden?  Het wezen bedacht zich en sloop zachtjes verder.  In het dorpje was het vrij stil iedereen stond vroeg op en ging vroeg naar bed, dit kwam waarschijnlijk ook door de kou.  Het wezen kon ongemerkt over de kleine staatjes lopen. Opeens was daar een bekende geur, het rook naar melk.  Het wezen liep op een klein huisje af en keek door het raam.  Daar stond een grote kan vol met oude melk bij het aanrecht. Het wezen keek naar de deur en naar zijn poten, hij zou de deur nooit open krijgen.  Toch kwam de geur niet vanuit de deur of raam, het kwam vanuit het dak.

De Harehoender klom op het dak, daar was een schoorsteen. Behendig en geluidloos liet het beest zich door de schoorsteen naar beneden glijden.  Het kwam neer op verbrand hout,  dat nog warm was.  Snel kwam het wezen de haard uit,  en liep regelrecht naar de keuken, waar de geur van de melk het sterkst was.  Buigend over de kan met melk nam het flinke slokken.  Het probeerde het onderste uit de kan te halen en in een poging de kan met de hoeven vast te pakken viel de kan met een flinke klap op de grond. Waarvan het beest schrok waardoor het al het serviesgoed op het aanrecht omver duwde en met flink gerinkel op de grond neerkwam. Direct werd er boven gestommel gehoord waar het beest van schrok. Het liep naar de deur en duwde met al het gewicht dat het had tegen de deur. Deze ging open. Het beest rende weg, weer de koude nacht in.

Dillynn werd zoals gewoonlijk vroeg wakker en zag ze dat het bordje met melk niet was aangeraakt, voor de tweede maal.  Overdag ging ze op pad om nieuwe melk te gaan halen want er was vandaag geen school.  Gek genoeg was het dorp, dat altijd wel rustig was, helemaal in rep en roer en de gesprekken gingen vooral over melk en hanenpoten. De mensen hadden het over een inbraak waarbij niets gestolen was, enkel kapot geslagen.  Dillynn luisterde naar de groepjes mensen die op staat aan het praten waren, ze ving woorden op, maar begreep hier uit dat het om haar wezen ging die dorst had en schijnbaar de deur in had geslagen.  De mensen in het dorp waren angstig, dat voelde ze aan. Toen ze bij de boer aankwam vertelde hij het hele verhaal.  Alleen dacht hij dat het een slechte grap was, immers bestond er geen beest met zulke poten.  En het bewijs was al zodanig weg door de verse sneeuw dat hij het niet kon geloven.  Dillynn wist wel beter.  De poten waar hij het over had, had zij immers zelf in de sneeuw gezien. Ze kocht de melk en ging terug naar huis. Het was inmiddels al middag toen ze thuis aankwam. Het werd de kortste dag genoemd, omdat het al vroeg donker werd. ‘s Avonds zong zij met haar vader en moeder weer mooie liederen. Haar ouders hadden vandaag heerlijke pasteitjes gemaakt.  Toen het tijd was om te gaan slapen, vroeg de moeder een beetje bezorgd aan Dillynn  of ze vanavond voor één keer geen melk buiten wilde zetten, want ze had de verhalen uit het dorp gehoord.  Ze beloofde vanavond de melk niet buiten te zetten, en aan deze belofte zou ze zich ook houden.  Immers had ze al een plan bedacht. Als het beest zo graag melk drinkt,  komt het vanzelf naar binnen. Voor het slapen gaan zette zij een grote schaal met melk op het aanrecht en ging naar boven. Dillynn wachtte tot het kaarslicht in de slaapkamer van haar ouders was gedoofd.  Stiekem liep ze naar beneden deed voorzichtig de voordeur open, pakte een hoge stoel en wollen deken.  Zachtjes duwde ze de deken tussen de kier van de deur, waardoor er geen kou naar binnen kwam. Ze zette verschillende pasteien en taartjes opgestapeld op de eettafel neer en ging weer naar boven.

Ergens in de kou in een dorpje nabij liep het wezen, op zoek naar warmte. Het sprong over kleine hekjes heen in tuinen van huisjes en keek door kleine keukenraampjes naar binnen, zoekend naar melk.  Door de kou kon hij zijn poten niet eens meer goed tillen over een grote heg. Het sprong over de heg en belandde in een wirwar van draden  en pas opgehangen was,  werkte zich een weg uit de lijnen en bleef hangen in een natte warme wollen cape afgezet met bont.  De rode mantel zat behaaglijk om het wezen heen, en hoewel deze nog nat was van het kokende water, voelde het lekker aan. Toen de harenhoeder opgewarmd was liep het verder, op zoek naar melk,  en toen bedacht het dat er altijd melk stond in een dorp verderop.  De kou had geen vat meer op het wezen, de melk was al te ruiken. Het wezen ging op weg.   Eenmaal aangekomen bij het huisje aan de rand van het bos, stond geen bordje melk.  Het beest snoof en blies en keek door het raam.  Het zag binnen een grote schaal staan. De Harehoender keek omhoog, maar de schoorsteen was veel te klein om door heen te gaan. Nogmaals blies het gehoorde beest, maar toen viel het oog op de deur dat op een kiertje stond.  Voorzichtig liep het naar de deur en stootte er met zijn kop tegenaan, de deur zwaaide open.

Met grote stille passen liep het richting de schaal met melk en dompelde de kop in de melk. Het duurde niet lang voordat de grote schaal helemaal leeggedronken was.  De melk smaakte lekker en het lichaam werd helemaal verwarmd.  Toch had het niet genoeg gegeten. Het keek om zich heen en rook de pasteitjes die op borden lagen. Met grote hanenpassen liep het dier naar een pasteitje, boog voorover en werkte met twee happen het pasteitje naar binnen. Aan de andere kant van de tafel stond een grote stapel met taartjes en andere lekkernijen. Het beest werd zó enthousiast dat het er naar toe rende, uitgleed en tegen de tafel stootte. Alle bordjes en pasteien vielen met veel lawaai om. Nog net kon het wezen een van de pasteien opvangen in zijn bokkenpoot.  Het stond op en keek recht in de ogen van een negenjarig, nogal geschrokken gezicht. Het beest stond doodstil en keek haar aan.  Dillynn riep naar haar ouders boven dat zij het was geweest en dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. Ze bleef het beest aankijken, ze bekeek hem van top tot teen.

Ze vroeg of het kon praten,  het blies een paar keer en ze begreep dat het beest wel een paar dingen snapte maar haar niet verstond.   Ze keek naar het pasteitje in de poot.  Ze liep naar een kast en pakte een bordje, terwijl ze het pasteitje rustig aannam, op het bordje legde en naast het wezen op tafel neer zette.  Ze gebaarde dat het mocht gaan eten. Het beest nam een hap, en werd rustig.

Omdat het had gezien hoe het meisje het bordje oppakte. Het beest probeerde dat ook, maar door de hoeven viel het kapot op de grond. Het meisje moest ervan glimlachen, keek het beest in de ogen en pakte een taartje van de grond en gaf het.  Op dat moment kwam de vader naar beneden.  Hij schrok en begon te tieren. Uit angst pakte hij een scherpe pook uit de haard en haalde uit naar het beest dat van schrik op te tafel sprong. De vader riep naar Dillynn, maar zij verroerde zich niet, en keek alleen maar naar de bange gestalte op de tafel en naar haar vader die stond te vloeken en te tieren. Ook de moeder kwam naar beneden en gaf een flinke gil. Haar vader haalde uit met de pook, maar miste, het beest sprong van de tafel op een oud lederen stoel.  Haar vader stond klaar om het beest te verwonden, snel ging Dillynn tussen het wezen en haar vader in staan. “Het beest is  niet boosaardig, het wil alleen maar eten en drinken.  Kijk hoe het beeft” riep ze tegen haar vader.  Haar vader liet de scherpe pook zakken en bekeek het beest dat met zijn grote poten op de stoel probeerde te blijven. Ze draaide zich om naar het beest, stak haar hand uit en begon zachtjes zijn snuit te aaien. De Harehoender begon haar kopjes te geven.  “Hij is diegene die elk jaar terug komt voor de warme melk”.  Zowel vader als moeder waren met stomheid geslagen.

Er kwam geluid van buiten af en de deur werd open gesmeten, een grote groep mensen stond voor de deur, bewapend met messen, hooivorken en fakkels.  De mensen keken naar de familie en daarna naar het beest. Ze wilde meteen in de aanval gaan,  maar vader kwam er tussen. “ Er is  een groot misverstand,  Dit beest is niet kwaadaardig,  kijk het zitten, het doet niemand kwaad.”
De mensen van het dorp lieten hun wapens zakken.  “Ik en mijn vader geven hem al jaren melk wanneer het koud is, maar wij wisten nooit hoe het eruit zag, maar het doet niemand kwaad”, vertelde ze de menigte. “Ik heb de Harehoender naar het dorp gelokt”.  De vader keek haar verbaasd aan.   “Het heeft de poten van een hoen en het zit onder de haren”, verklaarde ze. De families die binnen stonden en om haar huis begonnen te snappen dat de Harenhoender niemand kwaad deed, maar dat het gewoon honger had.  Het meisje raapte een stukje bosbessen gebakje op en gaf het aan de Harenhoeder. Het wezen kwam uit de zetel vandaan, rekte zich uit, werkte het taartje in twee happen naar binnen.  Schudde de wollen mantel van zijn lijf en gebaarde het meisje hem om te doen.
Met een kleine twinkeling in haar ogen deed ze de mantel om. Ze begrepen elkaar ook al konden zij elkaar niet verstaan.  Die avond, werd er in het hele dorp gezongen en kwam iedereen bij elkaar. De koude avond was nog nooit zo warm en liefdevol geweest. Het was díe nacht, dat de sterren begonnen te fonkelen en de sneeuwvlokjes gingen schitteren.  Een samenhorigheid was te voelen tussen mens en dier. Het wezen nam afscheid van Dillynn en de mensen; met een bries liep het terug naar het bos.

En zo kwam het dat iedere winter in het hele dorp schaaltjes met warme melk en pasteitjes werden klaar gemaakt  ter ere van Dillynn en de Harehoender. Ieder jaar opnieuw kwam het hele dorp op de koudste nacht samen om het geluk, acceptatie en vriendschap te vieren.  Dus als je openstaat voor anderen; goed luistert en niet direct een oordeel velt over uiterlijkheden en schijn, ben jij misschien wel degene die de Harehoender ooit tegen kan komen.

Tahendildag, ook wel Tahoendildag genaamd. Een feestdag ontstaan uit een midwintersprookje van heel lang geleden, waarbij geen enkel personage of wezen gebaseerd is op iets anders dan datgene waarop het gebaseerd is.

Ta  is een verbastering van het woord ‘twee’ of ‘tweede.’
Hen of hoen is kip, vanwege de gekke kippenpoten, die de Harehoender als spoor achter liet.
Dil betekent: Eerlijk, idioot feest, ook het meisje Dillynn dat het wezen hoorde en het betrapte,  maar wel vond dat het wezen welkom was.

Iedere familie in ieder dorp viert het op een eigen manier, soms is er een wezen per familie, soms zijn er meerdere voor een heel dorp, gespeeld door een lid van de familie. Ze komen langs elk huis, waarvan de deur openstaat en proberen het eten dat klaarligt op te eten zonder geluid te maken. .
Een lid van de familie, of een dorps lid, wordt elke laatste feestdag van het voorgaande jaar verkozen tot de hoeder van Tahendil dag: hij of zij zal de rol van het wezen vertolken in het aankomende viering. De eerste ochtend  moet deze persoon uit het huis of uit het dorp en zal een dag lang niet aanwezig zijn.  In feite is die gene zich aan het omkleden, en mag de voorbereidingen van het feest niet zien. Vaak maakt een groep “uitverkorenen” er een leuke dag van, door te wandelen of te winkelen. .

Een aantal dagen voor het feest  koopt men voor elkaar en voor de kinderen cadeaus.

Tahendil dag bestaat uit twee dagen. Op de eerste dag worden er twee schaaltjes gekocht  of mooi versierd. Deze twee schaaltjes zullen in de avond naar alle waarschijnlijkheid breken. Daarbij worden er verse taarten, lekkernijen, pasteitjes en andere hartige snacks gemaakt en twee speciale pasteitjes: één hartig en één zoet van aard. De twee pasteitjes worden ‘s avonds , wanneer iedereen naar bed gaat, op de schaaltjes geplaatst. Vaak wordt daaromheen allerlei oud serviesgoed gezet dat ook kapot mag vallen.

In de avond/ nacht komt of komen de uitverkorene (Harehoender) het huis binnen. Gekleed als het wezen, heeft diegene moeilijk zittend schoeisel  of zelfs “kippenpoten” aan. Maar nog veel belangrijker zijn de handschoenen die verplicht gedragen moeten worden, handschoenen die lijken op de bokkenpoten met twee hoefjes en een nagel. Daarnaast spelen een masker, een rode cape met bont en gazelle-, of ramshoorns een belangrijke rol.

Met dit nogal onhandige kostuum moet diegene zonder geluid te maken  proberen de twee pasteitjes op te eten dat speciaal is klaargezet.  Lukt het diegene om  ‘alles’ op te eten dan zijn alle cadeaus voor hem/haar, lukt het niet en wordt hij of zij betrapt dan wordt Iedereen bijeen geroepen en begint het grote feest. (In werkelijkheid wordt het wezen altijd betrapt, en zo niet dan wordt het toch gevierd met het verdelen van de cadeaus) . De persoon die het wezen gehoord/gepakt heeft is dan Dillynn en krijgt de rode mantel met bont.

Hiervan komt ook het idee van het cadeautjes uitdelen.  Je bent aardig voor elkaar,  en geeft elkaar iets.

Het wezen dat in het Midwintersprookje voorkomt heeft wat weg van een bok met grote kippen- of hanen poten en rams hoorns. Het beest zou ongeveer twee meter dertig groot zijn. De voorpoten van het beest zijn bokkenpoten. het kan geen menselijke taal verstaan, maar begrijpt sommige dingen wel. De Harehoender is zeldzaam. Het is niet bekend of het een hybride is van verschillende wezens of dat de Harehoender een op zichzelf staand ras is. Professoren zetten vraagtekens bij het bestaan van dit wezen. Immers zou het gaan om een speciaal soort zoogdier dat eieren zou leggen. Het dier zou een voorkeur hebben voor warme melk en pasteitjes. Herkomst is tot nu toe onbekend en is voor het eerst gezien nabij de bossen van Myr.